De kinderen leren verbindingen te leggen tussen woord en voorwerp of tussen geluid en voorwerp.
Op iedere spreekpunt wordt een geluid (bijvoorbeeld van een dier) of een woord (ingesproken) opgenomen. De voorwerpen van de dieren of van de voorwerpen liggen bij elkaar en het is de bedoeling dat de kinderen de spreekpunt koppelen aan het dier of voorwerp dat daarbij hoort. Om het moeilijker te maken kunnen de voorwerpen of dieren worden verspreid door de ruimte, waardoor de kinderen hier naar moeten zoeken.